Boomtoppen in nevel gehuld,
Waar zonlicht zich nog verschuilt,
De kop van paardenbloem nog gevuld
De lucht nog niet vervuild.

Geboren in dauw,
Overgeleverd aan de grillen van de wind,
Opzoek naar ’t waterblauw,
Fragiel en toch sterk, geplukt door een kind.

Als dan de pappus zweeft, licht en vrij,
De nevel haar kust, zo teder,
Danst zij met de bries, zo blij,
Neergestreken naast een ceder.

Door ’t mystieke omgeven,
In zijn kleine kern van bestaan
Waar water, lucht en aarde samen gaan.
Schijnbaar onbeduidend stil leven.

SjBK, 1 juni 2024