De ochtend sluimert, stil en zacht,
het witte wief houdt de wacht,
en danst traag over de velden,
liefdestranen welden.

Jouw stapjes kussen ’t natte pad,
waar zwijgen spreekt en niets ons vat.
Een wereld in vaag verborgen schijn,
In grijstinten versmolten zijn.

Druppels glinsteren op het koude gras,
Samen in ongelijke pas,
Op onze vroege wandeltocht,
Zoekend naar de volgende bocht.

SjBK, 1 april 2025