Je zei: “Kijk nou, die bomen lijken jong,
alsof ze net beseffen dat ze leven.”
We liepen langs het water, niet om het even,
maar urenlang, en zonder plan of dwang.

De zon sprong door het bladerdak naar binnen,
jij ving het licht in stukjes op je huid.
Ik dacht: “dit is het dus, waar men van bruid,
en dichter zingt, waar liefdes echt begint.

Een hond blaft. Kinderen aan het rennen.
Een twijgje kraakt. Jij draait je om naar mij.
De wereld stopt. Geen tijd. Geen moeten. Vrij.
En ik, ik wil dit steeds weer zo erkennen.

Dat jij mijn frisgroen bent, mijn zonneschijn,
mijn lente aan het water. Altijd jij.

SjBK, 12 juni 2025